Home / Documentatie / Bestandsbeschrijvingen

Bestandsbeschrijvingen: Bestand 632 Ongewenste groepen (ook op PRK-Niveau)

Veld Omschrijving SR1 Lengte2 Type3 Posities
BSTNUM Bestand-nummer 4 N 001-004
MUTKOD Mutatiecode 1 N 005-005
PRKODE PRK-code 1O 8(7+1) N 006-013
HPKODE Handels Product Kenmerken (HPK) code 2O 8(7+1) N 014-021
THOGRP Thes.nr. Ongewenste Groepen 4 N 022-025
NROGRP Nummer van Ongewenste Groep 3O 6 N 026-031
Leeg veld 1 A 032-032
1) SR Sortering van de records, wordt ingevuld achter de records die de sleutels bepalen.
1e positie: 1=hoofdsleutel, 2=secundaire sleutel, enz.
2e positie: O=Oplopend, A=Aflopend
2) Lengte (a,b)=a cijfers voor de komma, b cijfers na de komma.
(a+1)=a cijfers plus 1 controlecijfer.
3) Type AN=Alfanumeriek
N=Numeriek.
TOELICHTING BIJ BESTAND 632

LET OP : Dit bestand heeft per november 2007 bestand 631 vervagen.

Het bestand 'Ongewenste groepen' geeft aan welke groepen van voorschrijf- en handels-producten niet mogen worden afgeleverd bij een daartoe gemerkte patient, of waarbij speciale maatregelen nodig zijn.

In dit bestand worden alle groepen gekoppeld op PRK-niveau.
Soms worden echter groepen ook alleen op HPK-niveau gekoppeld, daar deze niet op PRK-niveau gekoppeld kunnen worden.

Zie verder de rubrieksbeschrijvingen.

FUNCTIONELE BESCHRIJVING:
De 'ongewenste groepen, ongewenste stoffen en ongewenste handelsproducten' (= 'ongewenste middelen') vormen samen met de 'contra-indicaties' de patientkenmerken.
Bij ongewenste middelen gaat het niet uitsluitend om een allergie, er kunnen andere redenen zijn om een stof of groep van stoffen niet af te leveren aan een bepaalde patient, bijvoorbeeld een bijwerking. Ook kan de toedieningsweg van een stof hierbij een rol spelen. Het kan ook voorkomen dat het product van een bepaalde fabrikant niet gewenst is, bijvoorbeeld door een hulpstof.
Met behulp van de door het softwarehuis geleverde optie 'ongewenste middelen' kan de gebruiker de betreffende ongewenste stof, de groep van stoffen, of het betreffende product zelf selecteren en koppelen aan de patient, met opgave van de reden van de koppeling.
Als de patient een geneesmiddel krijgt voorgeschreven, moet het systeem controleren of dit middel al dan niet ongewenst is.

Uitgangspunten:
- stoffen zijn zowel werkzame bestanddelen als hulpstoffen
- de stoffen*, groepen van stoffen, of de producten die 'ongewenst' zijn moeten direct aan de patient gekoppeld kunnen worden.
* al dan niet in combinatie met de stamtoedieningsweg
- selectie gaat op de generieke stamnaam van de stof*, op ongewenste groep, of op productnaam
- bij elke selectie moet de reden kunnnen worden opgegeven in het elektronisch patientendossier.


Selectie:
Er zijn 4 mogelijkheden om bij de patient op te geven welke middelen ongewenst zijn:
1. Werkzaam bestanddeel of hulpstof.
Voorbeeld: als de stamnaam tetracycline wordt geselecteerd, wordt bewaakt op alle preparaten waar tetracycline inzit, dus capsules, oogdruppels, oogzalf, zalf, suspensie en injectievloeistof.
2. Werkzaam bestanddeel of hulpstof beperkt tot bepaalde stamtoedieningswegen ( THNR=058);
Dit is nodig als optie 1 onterechte meldingen geeft.
Voorbeeld: tetracyclinecapsules geven darmproblemen, terwijl tetracycline-oogzalf wel gegeven kan worden.
3. Groep van stoffen die dezelfde problemen kunnen geven.
Voorbeeld: ACE-remmers, omdat de patient gevoelig is voor de bijwerking hoest.
In geval van kruisovergevoeligheid (= overgevoeligheid voor een groep van stoffen met een structuur die lijkt op de oorspronkelijke groep), verschijnen op het scherm groepen die gerelateerd zijn aan de geselecteerde groep, met de vraag "moet op de volgende groep(en) ook worden bewaakt?" De gebruiker kan dan desgewenst de getoonde gerelateerde groepen ook selecteren.
Voorbeeld: bij de penicillinegroep kan ook worden bewaakt op de cefalosporines, door de cefalosporinegroep te selecteren.
4. Handelsproduct;
als de patient een slechte ervaring met een bepaald product heeft, terwijl een ander product met hetzelfde werkzame bestanddeel wel verdragen wordt.

Techniek:
1. Selecteer uit de Generieke namen (bestand 750) een generieke-naam-code (GNK) van een generieke stamnaam. Generieke stamnamen zijn alle generieke namen waarbij de 'code stamnaam toegestaan' ( GNSTNT) = S.
2. Als bij 1, en selecteer daarna uit de thesaurus Stamtoedieningswegen (thesaurus 58, bestand 900) een of meer stamtoedieningswegcode(s).
3. Selecteer uit thesaurus Ongewenste groepen (thesaurus 122, bestand 900) een code. Kijk vervolgens in bestand Relaties tussen thesaurusitemnummers (bestand 910), relatiethesaurus 34, of de betreffende ongewenste groep een relatie heeft. Zo ja, toon deze gerelateerde groep(en) op het scherm, met de vraag of deze ook gekoppeld moeten worden.
4. Selecteer uit bestand Handelsproducten (bestand 30) een handelsproductcode ( HPKODE).

Signalering:
Als een patient met Patientkenmerk 'ongewenste middelen' een geneesmiddel krijgt voorgeschreven, moet na selectie van het voorgeschreven middel gecontroleerd worden of het middel is toegestaan. Als een 'ongewenst middel' geconstateerd wordt, dienen de volgende onderdelen op het scherm te worden getoond:
- het geselecteerde middel
- de melding "ongewenst middel"
- de reden uit het patientendossier

NB. 1. De gebruiker dient erop geattendeerd te worden dat bij selecteren van een stof als ongewenst middel, dat dan uitsluitend op die stof wordt gecontroleerd, en niet op de groep waartoe deze stof behoort.
Voorbeeld: bij diazepam als ongewenst middel wordt uitsluitend bewaakt op diazepam en niet op de benzodiazepinegroep.

NB. 2. Oude situatie naar nieuwe situatie In bestand 930 'Kruistabel CI - Ongew.groep/stamnaam' wordt aangegeven op welke wijze de oude 'ALLERGIE VOOR' kan worden vervangen door de nieuwe 'Ongewenste groep' of 'generieke stamnaam'.

datum laatste inhoudelijke wijziging
1 juli 2003